Antje Monteiro is een vrouw die haar hart op de tong draagt, maar ook een moeder bij wie de alarmbel soms nét iets sneller afgaat dan bij de meeste mensen. In een openhartig gesprek vertelt ze hoe zorgen maken bijna een tweede natuur is geworden.

Dat gaat niet alleen over kleine dingen, zoals of iemand wel veilig thuis is gekomen. Het zit dieper. Het is een patroon dat ze herkent, waar ze om kan lachen, maar dat haar ook serieus bezighoudt—zeker nu haar dochter Romy Monteiro al lang volwassen is.
Een bezorgdheid die met je meeloopt
Antje geeft toe dat ze zich praktisch iedere dag zorgen kan maken om Romy. Niet omdat er constant iets mis is, maar omdat haar hoofd snel scenario’s invult. Soms logisch, soms totaal niet.
Wat het extra ingewikkeld maakt: Romy is 33 jaar. Ze kan haar eigen leven leven, haar eigen keuzes maken, en dat doet ze ook. Toch blijft Antje die moederlijke reflex voelen, alsof haar dochter nog steeds elk moment bescherming nodig heeft.
Waar het volgens Antje vandaan komt
In het interview legt Antje uit dat haar achtergrond daar veel mee te maken heeft. Ze komt uit een woonwagenkamp en zegt dat woonwagenmoeders bekendstaan om hun intensieve manier van zorgen—een soort overdrive aan betrokkenheid.
Volgens haar is dat niet iets wat je zomaar uitzet. Het is een manier van leven en denken die je meekrijgt in je opvoeding. Antje zegt dat die wereld “totaal anders” is dan waar veel mensen zich iets bij kunnen voorstellen.
Altijd bellen en checken: ‘Zo zijn wij opgegroeid’
Om duidelijk te maken hoe ver dat kan gaan, vertelt ze over een nichtje van dezelfde leeftijd met wie ze is opgegroeid. Ze beschrijft het als bijna normaal dat ze elkaar de hele dag door bellen over hun kinderen.
Niet één of twee keer, maar soms tientallen keren. Even appen, even controleren, even afstemmen. Het klinkt misschien overdreven, maar voor hen voelt het als een vorm van verbondenheid én geruststelling.
Antje ziet ook: dit is niet altijd gezond
Tegelijkertijd is Antje opvallend eerlijk over de keerzijde. Ze zegt dat ze heel goed weet dat er verschil is tussen reële angst en irreële angst—en dat juist die tweede variant in haar omgeving vaak de overhand heeft.
Ze noemt het “heftig” en geeft toe dat het intern kan schuren. Want rationeel weet je dat je kind niet constant in gevaar is, maar emotioneel reageer je soms alsof het risico elk moment om de hoek staat.
Een voorbeeld uit haar jeugd dat alles zegt
Antje haalt ook een situatie uit haar jeugd aan die duidelijk maakt hoe diep dit soort angst kan zitten. Als haar vader een ambulance zag, raakte hij meteen in paniek en begon hij in gedachten de kinderen te tellen.
Niet omdat hij wist dat er iets gebeurd was, maar puur door het idee: stel dat het één van ons is. Antje noemt het extreem en totaal irreëel—maar het was wel de sfeer waarin zij zelf is opgegroeid.

Stap voor stap uit die reflex proberen te komen
Inmiddels zegt Antje dat ze “een beetje uit die woonwagencultuur is gestapt” om het voor Romy beter te doen. Ze leert van mensen om haar heen en probeert beter in te schatten wat wel en niet helpend is.
Ze probeert zichzelf weg te cijferen wanneer haar angst de leiding wil nemen. Want hoe begrijpelijk haar bezorgdheid ook is, ze weet dat het voor Romy fijner is als ze ruimte krijgt om gewoon haar eigen leven te leiden.
Toch blijft het soms wringen
Antje zegt dat ze haar angst niet op Romy wil projecteren, maar dat dit in de praktijk niet altijd makkelijk is. Dat levert soms een intern conflict op: je wil beschermen, maar je wil niet benauwen.
En eerlijk is eerlijk: soms zoekt ze toch een uitlaatklep. Dan belt ze haar nichtje om even te spuien of haar gedachten te ordenen. Met een lach, maar ook met de erkenning: dit zit diep.
Waarom ze dit nu zo bewust benoemt
Door er zo open over te praten, laat Antje zien dat overbezorgdheid niet altijd komt uit wantrouwen of controle. Soms is het simpelweg een aangeleerde reactie, een familiedynamiek, een cultuur waarin ‘opletten’ gelijkstaat aan liefde.
Tegelijkertijd klinkt er ook iets hoopvols in door: ze wil dat patroon doorbreken. Niet alleen voor Romy, maar ook voor een eventuele volgende generatie. Ze hoopt dat Romy later niet dezelfde voortdurende angst meedraagt.
Soms zijn zorgen wél terecht
Antje benadrukt niet dat al haar angsten uit het niets komen. In het leven gebeuren nu eenmaal ook echte nare dingen, en soms zijn zorgen wel degelijk reëel. Ze verwijst daarbij naar een benarde situatie van twee jaar geleden.
Hoewel ze daar in dit fragment niet uitgebreid op ingaat, zet het haar woorden wel in perspectief: wie iets heftigs meemaakt, kan daarna sneller ‘aan’ staan. Zeker als je al gevoelig bent voor piekeren.
Moederliefde in de meest rauwe vorm
Uiteindelijk komt het steeds terug bij dezelfde kern: Antje wil het beste voor haar kind. Ze weet dat liefde soms ook betekent dat je loslaat, dat je je eigen onrust niet leidend maakt.
Maar ze is ook gewoon mens. En juist daardoor voelen haar uitspraken herkenbaar voor veel ouders, ook als ze niet uit dezelfde achtergrond komen. Want zorgen om je kind—dat is iets dat nooit helemaal verdwijnt.

Wat vind jij: herkenbaar of te ver?
De vraag blijft: waar ligt de grens tussen betrokken zijn en te veel willen controleren? Antje’s verhaal laat zien hoe dun die lijn kan zijn, en hoe je daar als ouder soms dagelijks mee worstelt.
Laat ons weten hoe jij hiernaar kijkt. Herken jij die ‘wat als’-gedachten, of vind je dat je als ouder juist moet leren loslaten? Praat mee via onze sociale media—wij zijn benieuwd naar jouw mening.










